Vrijwilligers meten het effect van agrarisch natuurbeheer

Op dit moment zijn tientallen vrijwilligers bezig met het tellen van overwinterende akkervogels op boerenland. Ze doen dat onder begeleiding van Stichting ZeeBra, die hiervoor opdracht heeft gekregen van de Brabantse collectieven. De tellingen worden via een gestandaardiseerde methode en over meerdere jaren uitgevoerd, waardoor het effect van agrarisch natuurbeheer kan worden gemeten. Deze gestructureerde manier van tellen gebeurd in een aantal kerngebieden voor weide- en/of akkervogels en staat bekend als ‘beheermonitoring’.

De overwinterende vogels zijn niet de enige soortgroep die wordt geteld. In het broedseizoen worden ook de legsels van weidevogels geregistreerd en worden de broedparen van grutto, wulp en tureluur in kaart gebracht. Daarnaast wordt via speciale alarmtellingen bepaald hoeveel jonge vogels groot worden. In een aantal akkervogelkerngebieden worden niet alleen in de winter, maar ook tijdens het broedseizoen alle akkervogels genoteerd. Dit gebeurd via vaste telpunten conform de MAS-systematiek (Meetnet Agrarische Soorten). In 5 rondes worden gedurende 10 minuten alle soorten en hun gedrag ingevoerd.

Uit de tellingen in de weidevogelkerngebieden bleek dat het aantal weidevogelbroedparen stabiel is gebleven of licht toenam. De meeste broedparen werden gevonden op of nabij de golfplaatplasdrassen. Helaas was de kuikenoverleving bij de grutto en de wulp in de Beerse Overlaet te laag. In het meer westelijk gelegen rivierkleigebied, het Land van Heusden en Altena, kwamen wel voldoende kuikens groot. Belangrijk voor een betere overleving van weidevogelkuikens is voldoende kruidenrijk grasland, vocht en verlaat maaien. Uit tellingen in de akkervogelkerngebieden blijkt dat bij meer dan 5% agrarisch natuurbeheer, de soortenrijkdom groeit en de aantallen broedende akkervogels stabiel blijven of toenemen. Combinaties van beheermaatregelen blijken het meest succesvol. Het beheerpakket ‘wintervoedselakker’, al dan niet in combinatie met een patrijzenrand en het nieuwe PARTRIDGE-pakket ‘bloemenblok’, hebben het sterkste effect op de soortenrijkdom.

In het werkgebied van Collectief West-Brabant worden de werkgebieden Steenbergen, de Oude Doorn, Heesbeensche Uiterwaard en de Langen Bruggert gemonitord. In Midden-Brabant is dat de Groote Heide en de Bulder Aa. In Oost-Brabant staat weidevogelgebied de Beerse Overlaet centraal met daarbinnen werkgebieden Lith, Maasdonk en Ravenstein. Opgeteld betreft dit een leefgebied van bijna 8.000 hectare. Het aantal werkgebieden waar boeren agrarisch natuurbeheer uitvoeren is veel groter dan het aantal wat nu gemonitord wordt. Maar, momenteel is er helaas te weinig budget om dit overal op poten te zetten en te coördineren. Vanuit de Provincie wordt aanvullende monitoring uitgevoerd om toch uitspraken  over deze gebieden te kunnen doen.

Rapportages:

https://issuu.com/weidevogelbeschermingbrabant/docs/sloothaak_2019_evaluatie_monitoring_anlb_weidevoge https://issuu.com/brabantslandschap/docs/maasarend_2019_resultaten_in_drie_akkervogelkernge
https://issuu.com/brabantslandschap/docs/dingemans_2019_onderzoek_naar_de_effectiviteit_par